Kunst van Rien
Een verborgen kabinet voor zeldzame stukken. Zelden meer dan enkele werken tegelijk — soms slechts één. Toegang op uitnodiging. A hidden cabinet of rare works. Seldom more than a few at a time — sometimes only one. By invitation only.
geverifieerdOriginal
verified
Een lijn die in nevel verdwijntA line that vanishes into mist
Verworven op een Aziatische-kunstveiling in Nederland, daarvoor in een Nederlandse particuliere collectie te Wassenaar. Acquired at an Asian-art auction in the Netherlands; before that in a Dutch private collection at Wassenaar.
Naar het eiland gebracht door een verzamelaar wiens naam in het register staat als ██████ — op diens uitdrukkelijke verzoek niet vermeld. Brought from the island by a collector whose name appears in the register as ██████ — withheld at their express request.
Authenticiteit: origineel/officieel, gesigneerd. Toegeschreven binnen de Pengosekan-school van flora-en-faunaschilderkunst, ontstaan rond 1970 bij Ubud. Authenticity: original/official, signed. Attributed within the Pengosekan school of flora-and-fauna painting, formed around 1970 near Ubud.
Volledige herkomstdocumentatie wordt uitsluitend na audiëntie en onder discretie getoond. Full provenance documentation is shown only after audience and under discretion.
De Schemerschilder van Pengosekan
Het leven en de legende van Dewa Putu Sudiasa
Over de geboorte van Dewa Putu Sudiasa bestaat geen sluitend document. In de registers van de kunstenaarsgemeenschap die in 1970 rond het gehucht Pengosekan ontstond — even ten zuiden van Ubud, waar de rijstvelden overgaan in donker woud — ontbreekt zijn naam. Wie ernaar vraagt in de wandelgangen van de Aziatische veilinghuizen, krijgt steevast hetzelfde, ontwijkende antwoord: dat hij niet zozeer geboren werd, als wel op een nacht uit de bananenschaduw te voorschijn trad, met de eerste verf al onder zijn nagels.
De school waaruit hij voortkwam is echter zeer reëel. Waar de meesters van Ubud en Batuan hun doeken vulden met goden, demonen en heroïsche taferelen, kozen de schilders van Pengosekan voor het kleine en het levende: vogels, vlinders, kevers en bloesems, fijn en dicht uitgewerkt tot een decoratief natuuridioom dat nergens anders op Bali zo verfijnd werd beoefend. Het was, in de woorden van een verzamelaar, “stille kunst — kunst die je dwingt dichterbij te komen.” Sudiasa nam die stilte verder dan wie ook.
Men vertelt dat hij uitsluitend bij nacht werkte, bij het licht van een enkele olielamp. Daglicht, zo beweerde hij, “plette de zielen van de insecten”; pas in het donker lieten zij zich naar waarheid schilderen. Achter zijn ommuurde compound hield hij een tuin die meer weghad van een bezweringsplaats dan van een atelier: een wildernis van varens en bloeiende klimmers waarin hij kolibries, libellen en nachtvlinders lokte. Het was zijn ijzeren regel — door enkele leerlingen met ontzag naverteld — dat hij geen schepsel schilderde dat hij niet eerst een volledige maancyclus lang had gadegeslagen. Wie zijn vogel met krab aandachtig bekijkt, ziet die toewijding: elke voelspriet, elke geschubde poot, elke stuifmeelkorrel lijkt niet bedacht maar herinnerd.
Zijn pigmenten maakte hij zelf. Hij vertrouwde geen enkele fabriekskleur en wreef zijn verf uit mineralen, geplette schelpen, roet en een bindmiddel waarvan hij het recept aan niemand prijsgaf. Van zijn diepste zwart — het zwart waaruit in dit werk de gevleugelde gedaante oprijst — werd gefluisterd dat er as van tempeloffers doorheen ging, opdat het doek “een stukje van de onzichtbare wereld zou vasthouden”. Voor Sudiasa was dat geen beeldspraak. Hij dacht in de Balinese tweedeling van sekala en niskala: het zichtbare en het onzichtbare. Een schilderij was voor hem een val, fijn genoeg gespannen om één ademtocht uit de onzichtbare wereld te vangen en gevangen te houden.
In dat licht moet ook dit werk gelezen worden. De mythische vogel is de boodschapper van de bovenwereld, de bewoner van de lucht; de krab, laag en gepantserd, is de wachter van het water en de drempel naar het rijk daaronder. Waar zij elkaar ontmoeten — omringd door vlinders, die in heel de archipel gelden als dwalende zielen, en door een wemeling van insecten — daar raakt de ene wereld de andere aan. Het is geen tafereel maar een drempel; geen decoratie maar een ontmoeting die volgens de overlevering maar zelden goed afloopt, en die Sudiasa juist daarom telkens opnieuw wilde bezweren.
Hij signeerde zelden. De meeste doeken verlieten zijn tuin naamloos, en kenners zeggen dat hij alleen zijn naam zette in nachten waarin een bepaalde ster boven de Agung-vulkaan stond — alsof een handtekening pas geoorloofd was wanneer de hemel ervoor tekende. Dat dit werk wél gesigneerd is, maakt het binnen het reeds schaarse oeuvre tot een uitzondering: een doek waarvan de meester zelf vond dat het af was, dat het de toets had doorstaan.
Over zijn laatste jaren lopen de verhalen uiteen. Sommigen zeggen dat hij zich terugtrok in de bergen toen de toeristenbussen Pengosekan ontdekten en de stille kunst luidruchtig werd. Anderen houden vol dat hij gewoon op een ochtend niet meer in zijn tuin verscheen, en dat de nachtvlinders nog wekenlang tegen de gesloten luiken bleven kloppen. Wat vaststaat is dat er weinig van zijn hand in omloop is, dat vrijwel niets ervan het eiland ooit verliet, en dat elk stuk dat opduikt door verzamelaars met een mengeling van begeerte en bijgeloof wordt benaderd.
Dit is zo'n stuk. Het hangt hier in het halfduister waarin het ontstond, achter een zegel dat u zelf mag verbreken. Kijk lang. Kom dichterbij. Ergens in dat dichte, geduldige loofwerk wacht een ademtocht uit de onzichtbare wereld — al een mensenleven lang, op u.
The Twilight Painter of Pengosekan
The life and legend of Dewa Putu Sudiasa
No reliable document records the birth of Dewa Putu Sudiasa. In the ledgers of the artists' community that formed around the hamlet of Pengosekan in 1970 — just south of Ubud, where the rice terraces give way to dark forest — his name is absent. Ask after him in the corridors of the Asian auction houses and you will meet the same evasive answer: that he was not so much born as one night stepped out of the banana-shade, the first paint already beneath his nails.
The school he came from, however, is entirely real. Where the masters of Ubud and Batuan filled their canvases with gods, demons and heroic scenes, the painters of Pengosekan chose the small and the living: birds, butterflies, beetles and blossom, worked so finely and so densely into a decorative idiom of nature that nowhere else on Bali was it practised with such refinement. It was, in one collector's words, “quiet art — art that forces you to come closer.” Sudiasa took that quiet further than anyone.
It is said he worked only by night, by the light of a single oil lamp. Daylight, he claimed, “flattened the souls of the insects”; only in darkness would they let themselves be painted truthfully. Behind his walled compound he kept a garden that resembled a place of incantation more than a studio: a wilderness of ferns and flowering creepers into which he coaxed sunbirds, dragonflies and moths. It was his iron rule — repeated in awe by his few pupils — that he would paint no creature he had not first watched for a full cycle of the moon. Study his bird with crab closely and you see that devotion: every antenna, every armoured leg, every grain of pollen seems not invented but remembered.
He made his own pigments. He trusted no manufactured colour, grinding his paint from minerals, crushed shell, soot and a binder whose recipe he gave to no one. Of his deepest black — the black from which the winged figure rises in this very work — it was whispered that ash from temple offerings had been worked into it, so that the cloth might “hold a piece of the unseen world.” For Sudiasa this was no metaphor. He thought in the Balinese division of sekala and niskala, the seen and the unseen. A painting, to him, was a trap, strung fine enough to catch a single breath of the unseen world and keep it.
This work must be read in that light. The mythical bird is the messenger of the upper world, the dweller in air; the crab, low and armoured, is the warden of the water and the threshold to the realm beneath. Where they meet — ringed by butterflies, which across the archipelago are held to be wandering souls, and by a teeming of insects — one world touches the other. It is not a scene but a threshold; not decoration but an encounter that the old tales say rarely ends well, and which Sudiasa, for that very reason, set himself to charm again and again.
He rarely signed. Most canvases left his garden nameless, and connoisseurs say he set down his name only on nights when a certain star stood above the volcano Agung — as though a signature were permitted only when the sky had vouched for it. That this work is signed makes it, within an already scarce body of work, an exception: a cloth the master himself judged finished, one that had passed the test.
The stories of his final years diverge. Some say he withdrew into the mountains when the tour buses found Pengosekan and the quiet art grew loud. Others insist he simply failed to appear in his garden one morning, and that the moths went on knocking at the shuttered windows for weeks. What is certain is that little of his hand survives, that almost none of it ever left the island, and that every piece which surfaces is approached by collectors with a mixture of desire and superstition.
This is such a piece. It hangs here in the half-dark in which it was made, behind a seal you may break yourself. Look long. Come closer. Somewhere in that dense, patient foliage a breath of the unseen world is waiting — as it has waited a lifetime, for you.
Vraag toegang tot het werkRequest access to the work
Dit stuk wordt niet openlijk te koop aangeboden. Wie het wenst te verwerven of in stilte wenst te bezichtigen, laat hier een teken achter. Rien antwoordt persoonlijk, en zelden snel. This piece is not openly for sale. Those who wish to acquire it, or to view it in private, may leave a sign here. Rien replies personally, and seldom quickly.
Of schrijf rechtstreeks:Or write directly: rien@kunstvanrien.nl